Naar inhoud

Zorg voor een gelaagde begroeiing

Gelaagdheid is de term die men gebruikt om de etagevormige opbouw van bosvegetatie aan te duiden. Etagevorming zorgt voor stabiliteit en een ruime verscheidenheid aan levensvormen. In een natuurlijke loofbos treffen we meestal vier ‘lagen” aan:

  • Een boomlaag: met hoge bomen zoals eik, beuk, es en minder hoge bomen zoals inlandse vogelkers, lijsterbes en hulst. Download onderaan het overzicht van planten in de boomlaag.
  • Een struiklaag: met struiken als hazelaar, vlier, braam en/of klimplanten zoals wilde kamperfoelie, klimop en hop. Download onderaan het overzicht van planten in de struiklaag.
  • Een kruidlaag: met varens, salomonszegel, maagdenpalm, bolgewassen, mossen en paddestoelen. Download onderaan het overzicht van kruiden.
  • Een strooisellaag: bestaande uit afgevallen en verterende bladeren, takjes, ... Deze strooisellaag ontstaat vanzelf op voorwaarde dat men de afgevallen bladeren en takken ter plaatse laat liggen en verteren.

Als je kiest voor een trapsgewijze begroeiing van kruidlaag over struiklaag naar boomlaag, benader je dezelfde opbouw als in een gemengd, spontaan bos. In de natuur blijft een kale bodem immers niet lang onbegroeid. Als je niet ingrijpt, verandert de plantengroei steeds van uitzicht en komen er steeds meer planten bij. De oorspronkelijke kale bodem groeit uiteindelijk helemaal dicht. De vegetatie evolueert. Het eindstadium in België is een loofbos. Als je in je tuin de natuur nabootst is het dan ook logisch dat je naar dit eindstadium evolueert, want op die manier heb je het minste onderhoud.

In de meeste tuinen is er niet voldoende plaats om een echt bos aan te planten, maar je kan in de randzone, door aanplanting van bomen en struiken, de sfeer van een bosrand creëren. Wanneer je een kleine tuin hebt, dan kan je de hoogste laag laten bestaan uit kleine bomen of struiken van het genre: sporkenhout, lijsterbes, kerselaar, appel, pruim, kweepeer, mispel, sering, vlier en hazelaar. Daarrond kan je lager blijvende struiken schikken, bijvoorbeeld egelantier, hondsroos, aalbes, zwarte bes, kruisbes en brem.

In heel kleine stadstuintjes kan je deze gelaagdheid ook toepassen. Je kan er de hoogste laag vervangen door klimplaten: wilde wingerd, klimop of klimhortensia kunnen tegen de achtergevels van stadstuinen zo hoog worden als bomen en bieden schuilplaatsen, voedsel en nestgelegenheid aan vogels en insecten.

Bron: Velt, stappen naar een ecologische tuin, aanleg en beheer